Tot aan de val van het Kabinet Rutte IV was onderstaande informatie de meest actuele stand van zaken.
In het Coalitieakkoord 2021-2025 ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ stelt het Kabinet het volgende: “Om een stabielere financiering voor de medeoverheden te realiseren en hun autonomie te vergroten, wordt in de komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB en MRB in de beschouwing betrokken. In deze periode zal de financiering van de medeoverheden grotendeels worden vormgegeven via de accres systematiek. Deze plannen en de uitwerking ervan de komende jaren, hebben een grote impact op de toekomstige financiële positie van de provincies.
Met de introductie van Betalen naar Gebruik als mogelijke opvolger van de Motorrijtuigenbelasting en de instelling van fondsen voor de bekostiging van de grote maatschappelijke opgaven zien wij meer financiële onzekerheden voor de Provincies op de (middel)lange termijn, die Provincies in zwaar weer kunnen brengen."
Het nieuwe kabinet heeft in het coalitieakkoord opgenomen dat het streeft naar een nieuwe financieringssystematiek voor de Provincies en Gemeenten met ingang van 2026. De gezamenlijke Provincies zijn daarom een traject gestart waarbij gezamenlijk met Rijk en Gemeenten gewerkt wordt aan deze nieuwe systematiek. Minister Bruins Slot (BZK) heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de stappen die het kabinet wil zetten om te komen tot een nieuwe financieringssystematiek voor medeoverheden. Maandag 11 juli 2022 heeft zij daartoe een contourennota aan de Tweede Kamer gestuurd. Samengevat wordt in deze brief geschetst hoe het kabinet toe wil werken naar een herziening van de Financiële-verhoudingswet in 2024. Dit voornemen vloeit voort uit de ambitie uit het Coalitieakkoord om een stabielere financiering voor de medeoverheden te realiseren en hun autonomie te vergroten, met name voor de periode na 2025. Het kabinet en de medeoverheden zijn namelijk van mening dat de financieringssystematiek zoals die nu is vormgegeven verbetering behoeft. Meer stabiliteit en ruimte voor autonome keuzes op regionaal en lokaal niveau worden daarbij nagestreefd.
In het Coalitieakkoord (Rutte IV) is vastgelegd dat het accres op de fondsen (gemeentefonds en provinciefonds) vanaf 2026 wordt vastgezet, waardoor onzekerheid ontstaat over de toekomstige financiële ruimte van de medeoverheden. Vandaar ook dat gewerkt wordt aan een nieuwe, stabielere financieringssystematiek waarbij ook de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Momenteel hebben zowel de VNG als het IPO signalen afgegeven dat ze garanties willen hebben op tijdige duidelijkheid. Tijdens het VNG-congres eind vorige maand is een resolutie over dit onderwerp aangenomen. Ook het IPO heeft een signaal afgegeven door aan een akkoord op het bevriezen van het volumedeel van het accres voor de periode 2022-2025 de voorwaarde te verbinden dat voor de financieringssystematiek ná 2025 een bevredigend resultaat wordt geboekt. Duidelijkheid voor Provincies en Gemeenten is namelijk nodig vanwege de grote opgaven die op de Provincies afkomen en omdat als onderdeel van de begroting 2023 een meerjarenbegroting 2024-2026 moet worden opgesteld.