4. § Financiering
Inleiding
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - InleidingDe paragraaf Financiering biedt inzicht in:
1) de verstrekte geldleningen aan verbonden partijen en derde marktpartijen uit hoofde van het publiek belang*;
2) de beleggingen van tijdelijk overtollige liquide middelen;
3) de opgenomen geldleningen bij financiële instellingen.
*Geïnvesteerd agiokapitaal in deelnemingen is opgenomen in de paragraaf Verbonden partijen.
Een belangrijke taak bij het beheersen van de financieringsstromen is dat te allen tijde voldoende werkkapitaal beschikbaar is om aan alle financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Hiermee blijft de financiële continuïteit van de organisatie gewaarborgd en kunnen de in de Meerjarenbegroting opgenomen beleidsdoelstellingen zonder belemmering van financiering worden uitgevoerd.
Een secundaire maar even zo belangrijke taak is dat de Provincie haar financieringsmiddelen in een verantwoorde balans inzet ten behoeve van directe stimulering van het publieke belang in Limburg en het realiseren van beleggingsrendementen. Deze beleggingsrendementen komen als rentebaten in de meerjarenbegroting eveneens toe aan de Limburgse maatschappij.
Deze paragraaf geeft inzicht in:
4.1 Financiering integraal;
4.2 Algemene ontwikkelingen;
4.3 Uitzettingen van tijdelijk overtollige middelen;
4.4 Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang;
4.5 Opgenomen geldleningen;
4.6 Verantwoording wettelijke kaders (Wet fido).
4.1 Financieringspositie Provincie Limburg integraal
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.1 Financieringspositie Provincie Limburg integraalIn grafiek 4.1 wordt de portefeuilleverhouding 2025 weergegeven, evenals de absolute en percentuele verschillen met 2024. Provincie Limburg heeft haar geldmiddelen onderverdeeld in twee portefeuilles. De portefeuille Tijdelijk overtollige middelen bevat het werkkapitaal en de geldmiddelen die de Provincie (tijdelijk) niet voor de uitoefening van de publieke taak nodig heeft. Hiertoe behoren de bedrijfsobligaties (waarvan de laatste in 2025 is afgelopen), de uitzettingen naar decentrale overheden en de liquide middelen in rekening-courant bij ’s Rijks schatkist. Daarnaast heeft de Provincie een portefeuille Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak. Hiertoe behoren de geldleningen aan verbonden partijen (niet zijnde het agiokapitaal in deelnemingen), de geldleningen aan derden ten gunste van de publieke taak, en de verstrekte borgstellingen bij geldleningen aan derden. Hoewel borgstellingen in feite geen uitgezette middelen zijn, kunnen deze bij een claim door de begunstigde wel tot uitgaande kasstroom leiden.
Per ultimo 2025 omvat het totaal van beide portefeuilles tezamen € 1.306,7 mln., waarvan € 720,0 mln. in de portefeuille Tijdelijk overtollige middelen en € 586,7 mln. in de portefeuille Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak. Dit is een afname van € 72,3 mln. ten opzichte van ultimo 2024. Deze afname wordt voor ca. € 4,5 mln. veroorzaakt door aflossingen binnen de portefeuille ‘Opgenomen projectfinancieringen’ (zie tabel 4.1) en voor het overige deel als resultante van de reguliere beleidsuitvoering binnen de door Provinciale Staten vastgestelde begroting.
De Provincie heeft in 2025 geen nieuwe geldleningen aangetrokken. De twee bestaande projectfinancieringen (van BNG Bank NV en de Europese Investeringsbank (EIB)) zijn door reguliere aflossingen gedaald tot een totaalvolume van € 19,6 mln. per ultimo 2025 (2024: € 24,3 mln.).
In tabel 4.2. zijn de rentebaten over de uitgezette middelen weergegeven. Wat opvalt, is dat de rentebaten over het Schatkistbankieren rekening-courant zijn gedaald. Dit komt enerzijds doordat de creditrente aanvang 2025 piekte op circa 2,9% en gedurende het jaar geleidelijk afnam tot circa 1,9% ultimo 2025. Anderzijds komt deze daling door het stallen van € 100 mln. op rentedragende termijndeposito’s bij de Schatkist (tegen een hogere vaste rente) waardoor het saldo op het rekening-courant met dit bedrag is afgenomen. De eerste rente-inkomsten met betrekking tot het stallen van de gelden op de termijndeposito’s zullen in 2026 worden ontvangen.
Tabel 4.1 Totaal uitgezette en ingeleende middelen (nominaal x € 1.000) |
|||||
|---|---|---|---|---|---|
Portefeuillevolume |
R2024 |
R2025 |
mutatie % |
||
Schatkistbankieren rekening-courant |
336.757 |
206.632 |
-38,6% |
||
Uitzettingen Tijdelijk overtollige middelen |
435.040 |
513.388 |
18,0% |
||
Uitzettingen Publiek belang (exclusief agiokapitaal aan deelnemingen) |
607.208 |
586.697 |
-3,4% |
||
Totaal uitgezette middelen |
1.379.005 |
1.306.717 |
-5,2% |
||
Opgenomen balansfinancieringen |
0 |
0 |
n.v.t. |
||
Opgenomen projectfinancieringen |
24.284 |
19.647 |
-19,1% |
||
Totaal ingeleende middelen |
24.284 |
19.647 |
-19,1% |
||
Saldo uitgezette en ingeleende middelen |
1.403.289 |
1.326.364 |
-5,5% |
||
Tabel 4.2 Overzicht van rentebaten (bedragen x € 1.000) |
|||||
Rentebaten |
R2024 |
R2025 |
mutatie % |
||
Bedrijfsobligaties (uitfasering) |
3.074 |
1.405 |
-54,3% |
||
(Kas)geldleningen aan decentrale overheden |
8.470 |
9.485 |
12,0% |
||
Schatkistbankieren deposito's |
45 |
0 |
n.v.t. |
||
Schatkistbankieren rekening-courant |
7.495 |
7.252 |
-3,2% |
||
Vrijval van egalisatiereserves uit verkochte obligatietitels (2017-2029) |
5.292 |
4.622 |
-12,7% |
||
Uitzettingen Publiek belang (exclusief agiokapitaal aan deelnemingen) |
14.475 |
13.417 |
-7,3% |
||
Totaal aan rentebaten |
38.851 |
36.181 |
-6,9% |
||
4.2 Algemene ontwikkelingen
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.2 Algemene ontwikkelingenInterne ontwikkelingen
De financiering van de provinciale taken en het beheer van de provinciale financiële activa (excl. agiokapitaal in deelnemingen) zijn vastgelegd in de vigerende Financiële verordening Provincie Limburg, het Treasurystatuut en het strategisch investeringsbeleid en uitvoeringskader Sturing in Samenwerking 3.0 (SiS 3.0). In 2025 is gestart met het actualiseren en verbreden van het strategisch investeringsbeleid en het uitvoeringskader Sturing in Samenwerking naar een 4.0 versie, waarmee op dit onderdeel tevens een actualisatie van de Financiële verordening benodigd is. Dit zal in 2026 ter besluitvorming aan Provinciale Staten worden aangeboden.
Externe ontwikkelingen
Het Treasurystatuut en Sturing in Samenwerking 3.0 (SiS 3.0) voldoen aan de vigerende wettelijke kaders voor decentrale overheden, waaronder het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV), de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido), de regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Regeling Ruddo) en de regeling schatkistbankieren decentrale overheden. In 2025 zijn deze wettelijke kaders ongewijzigd gebleven en de Rijksoverheid heeft tevens geen wetswijzigingen aangekondigd die een materiële invloed op het huidige financieringsbeleid van de Provincie Limburg zouden kunnen hebben.
4.3 Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige middelen
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.3 Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige middelenIn het Treasurystatuut zijn uitvoeringsvereisten van de treasuryfunctie opgenomen. De portefeuillesamenstelling van de tijdelijk overtollige middelen is sinds meerdere jaren aan verandering onderhevig als gevolg van veranderde landelijke Wetgeving en mondiale marktrentedalingen:
- De voorheen significante obligatieportefeuille van de Provincie is in 2025 volledig teruggelopen tot € 0 mln. De laatst resterende bedrijfsobligatie is op einddatum 14 juli 2025 regulier beëindigd. Nieuwe aankopen van obligaties zijn conform de vigerende Wet fido voor decentrale overheden niet meer toegestaan;
- De deelportefeuille ‘geldleningen aan decentrale overheden’ bevat risicovrije uitzettingen aan overige decentrale overheden buiten de provincie Limburg met een looptijd langer dan 1 jaar. De Provincie heeft deze activiteiten in eigen beheer. In 2025 is voor een omvang van in totaal € 54,0 mln. afgelost en zijn binnen de kaders van het Treasurystatuut zes nieuwe leningen met een totaalomvang van € 96,0 mln. verstrekt. In 2025 is deze deelportefeuille gegroeid van € 371,4 mln. tot € 413,4 mln. per ultimo 2025;
- Leningen aan decentrale overheden met een looptijd korter dan 1 jaar kwalificeren als kasgeldleningen. Per ultimo 2025 heeft de Provincie geen uitstaande kasgeldleningen aan decentrale overheden;
- Tot slot biedt de Wet fido via de regeling Schatkistbankieren de mogelijkheid om tijdelijk overtollige middelen te stallen in termijndeposito’s bij het Ministerie van Financiën. Hiervoor zijn specifieke looptijden beschikbaar, waarbij de aangeboden rentetarieven gelijk zijn aan de rentetarieven waartegen de Staat der Nederlanden financiering kan aantrekken op de internationale financiële markten, doch met een ondergrens van minimaal 0,00%. In 2025 zijn vier rentedragende termijndeposito’s met verschillende looptijden voor een totaal bedrag van € 100 mln. geplaatst, teneinde een hoger en stabieler renterendement te realiseren dan op rekening-courant het geval zou zijn.
De tijdelijk overtollige middelen van Provincie Limburg die niet in de hierboven genoemde vier deelportefeuilles zijn ondergebracht, staan op de provinciale schatkistbankieren rekening-courant bij ’s Rijks schatkist. Ook op het saldo in rekening-courant geldt een creditrente met een minimale ondergrens van 0,00%. De creditrente is in 2025 gedaald van circa 2,90% in de eerste helft van het jaar tot circa 1,90% op jaareinde. De samenstelling en het verloop van de portefeuille ‘Tijdelijk overtollige middelen’ in 2025 wordt in tabel 4.3 weergegeven.
Tabel 4.3 Uitzettingen van Tijdelijk overtollige middelen (nominaal x € 1.000) |
|||
|---|---|---|---|
Portefeuille Tijdelijk overtollige middelen |
R2024 |
R2025 |
mutatie % |
1. Obligaties (sterfhuisportefeuille) |
63.620 |
0 |
n.v.t. |
2. Geldleningen aan decentrale overheden |
371.420 |
413.388 |
11,3% |
3. Kasgeldleningen aan decentrale overheden |
0 |
0 |
0,0% |
4. Schatkistbankieren deposito's |
0 |
100.000 |
n.v.t. |
5. Schatkistbankieren rekening-courant |
336.757 |
206.632 |
-38,6% |
Totaal Tijdelijk overtollige middelen |
771.797 |
720.020 |
-6,7% |
4.4 Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publiek belang
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.4 Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publiek belangDe portefeuille Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak bestaat uit geldleningen aan en borgstellingen ten gunste van verbonden partijen en derde marktpartijen. Agiokapitaal in provinciale deelnemingen valt hier niet onder en wordt nader verantwoord in de paragraaf verbonden partijen. De criteria waaraan uitzettingen dienen te voldoen zijn vastgelegd in het investeringsbeleid en uitvoeringskader Sturing in Samenwerking 3.0 (SiS 3.0), dat op 5 februari 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld.
Borgstellingen
Gegeven de ruime liquiditeitspositie van de Provincie prevaleert het instrument “geldlening door de Provincie” meestal boven het instrument “borgstelling van de Provincie bij een bancaire geldlening”. Er is in 2024 een borgstelling verleend van maximaal € 40 mln. Er zijn eind 2025 echter nog geen trekkingen gedaan op de financiering waar deze borgstelling op is afgegeven. In 2025 zijn geen nieuwe borgstellingen verstrekt. Naast voornoemde, zijn er ook geen andere borgstellingen actief.
Geldleningen aan verbonden partijen en derden
De nominale boekwaarde van de uitstaande geldleningen aan verbonden partijen bedraagt per ultimo 2025 nominaal € 346,4 mln. Dit is een daling van € 2,3 mln. ten opzichte van 2024. Deze daling is de som van nieuwe uitboekingen binnen reeds bestaande kredietlimieten met een totale omvang van € 10,7 mln. en de ontvangen aflossingen op de verstrekte leningen van in totaal € 13,0 mln.
De deelportefeuille geldleningen aan derden is in 2025 met € 18,2 mln. afgenomen tot nominaal € 240,3 mln. per ultimo 2025. Naast de ontvangen reguliere aflossingen op de uitstaande geldleningen zijn er in 2025 twee nieuwe geldleningen aan derden verstrekt ter grootte van € 750.000 en € 980.000. Een overzicht van de uitzettingen uit hoofde van de publieke taak en de mutaties ten opzichte van 2024 zijn opgenomen in tabel 4.4.
Voorzieningen en duurzame afwaarderingen
In 2022 was voor een niet presterende geldlening een voorziening getroffen voor een totaal van € 0,6 mln. Deze voorziening is in 2025 opgeheven. In 2025 zijn geen nieuwe voorzieningen getroffen en zijn er ook geen afwaarderingen op geldleningen gedaan.
Tabel 4.4 Uitzettingen uit hoofde van het publiek belang (nominaal x € 1.000) |
|||||
|---|---|---|---|---|---|
Portefeuille publiek belang |
R2024 |
R2025 |
mutatie % |
||
1. Geldleningen aan verbonden partijen |
339.541 |
334.578 |
-0,7% |
||
2. Geldleningen aan derden |
267.667 |
252.120 |
-7,0% |
||
3. Borgstellingen bij bancaire geldleningen |
0 |
0 |
0,0% |
||
Totaal Portefeuille Publiek belang |
607.208 |
586.697 |
-3,4% |
||
4.5 Opgenomen geldleningen
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.5 Opgenomen geldleningenDe provinciale liquiditeitspositie was gedurende 2025 ruim voldoende, waardoor er conform verwachting geen balansfinanciering voor de eigen beleidsuitvoering is opgenomen. Ook zijn er in 2025 geen nieuwe projectfinancieringen aangetrokken. De reeds bestaande opgenomen projectfinancieringen worden hieronder nader toegelicht.
In 2004 heeft de Provincie de geldlening van de (voormalige) stichting Symbiose overgenomen met betrekking tot het pand Mercator. Verkoop van dit pand heeft in 2005 plaatsgevonden. Op deze lening wordt jaarlijks € 180.600 afgelost tot en met de einddatum in 2027.
In januari 2019 is met de Europese Investeringsbank (EIB) een kredietfaciliteit van maximaal € 75 mln. overeengekomen, dat in tranches over een periode van 36 maanden tot uiterlijk 14 januari 2022 kon worden opgenomen. Dit betreft een projectfinanciering ten behoeve van Stimuleringsleningen Duurzaam Thuis. In het eerste kwartaal 2019 is door de Provincie een eerste lening tranche ad € 10 mln. opgenomen tegen een vaste rente van 0,08% welke lineair over 5 jaar volledig is afgelost. Aanvullend zijn vanaf eind 2019 tot en met eind 2021 nog vier tranches van ieder € 10 mln. opgenomen. Deze vier tranches hebben allen een rentetarief van 0,00% en worden eveneens lineair afgelost, waarbij de laatste aflossing valt in het derde kwartaal van 2035. Het totaal aan opgenomen krediet is nominaal € 50 mln. Het totaal aan niet-opgenomen krediet van € 25 mln. is reeds komen te vervallen.
De restant hoofdsom per opgenomen projectfinanciering per ultimo 2025 is opgenomen in tabel 4.5.
Tabel 4.5 Portefeuille opgenomen geldleningen (bedragen x € 1.000) |
|||
|---|---|---|---|
Kenmerk opgenomen geldlening |
R2024 |
R2025 |
Mutatie % |
Lening van BNG Bank inzake voormalige Stichting Symbiose |
542 |
361 |
-33,4% |
Lening van de Europese Investeringsbank (EIB) inzake de Stimulereringsregeling Duurzaam Thuis |
23.742 |
19.286 |
-18,8% |
Totaal opgenomen geldleningen |
24.284 |
19.647 |
-19,1% |
4.6 Verantwoording wettelijke normen - Kasgeldlimiet
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - 4.6 Verantwoording wettelijke normen - KasgeldlimietIn de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de uitvoeringsregeling van de Wet fido zijn normen gesteld ten aanzien van de kasgeldlimiet, de renterisiconorm en het drempelbedrag schatkistbankieren. In dit hoofdstuk wordt de compliance met de vigerende wettelijke kaders in het boekjaar 2025 verantwoord. Samenvattend hebben zich geen overschrijdingen van de genoemde limieten en normen voorgedaan.
Met de kasgeldlimiet wordt door de wetgever beoogd dat decentrale overheden niet een te omvangrijk deel van de schuldpositie financieren met kortlopende leningen (< 1 jaar). De kasgeldlimiet is 7% van de totale begrotingsomvang (2025: € 647.635.000), wat in 2025 neerkomt op € 45,33 mln. gemiddeld per maandultimo. Voor Provincie Limburg heeft de kasgeldlimiet in boekjaar 2025 weinig tot geen effect, aangezien de Provincie beschikt over voldoende eigen liquiditeiten en derhalve geen kortlopende schuldpositie heeft. Voor de volledigheid wordt de berekening van de kasgeldlimiet wel in de rapportage opgenomen. In tabel 4.6 is de beschikbare ruimte onder de kasgeldlimiet weergegeven. Provincie Limburg had in het vierde kwartaal 2025 een ruimte beschikbaar van € 285,34 mln. Dit houdt praktisch in dat de Provincie in 2025 tot € 285 mln. aan kortlopende leningen zou hebben kunnen opnemen, hetgeen de Provincie niet nodig heeft gehad.
Tabel 4.6 Kasgeldlimiet 2025 (bedragen x € 1.000) |
||||
|---|---|---|---|---|
Kasgeldlimiet 2025 |
Q1 2025 |
Q2 2025 |
Q3 2025 |
Q4 2025 |
Toegestane kasgeldlimiet als % van de grondslag * |
7% |
7% |
7% |
7% |
in bedrag (1) |
45.334 |
45.334 |
45.334 |
45.334 |
Omvang vlottende schuld (2) |
8.600 |
8.600 |
8.600 |
8.600 |
Omvang vlottende middelen (3) |
337.601 |
358.767 |
350.795 |
248.607 |
Netto schuld (+) of overschot (-) (2-3 = 4) |
-329.001 |
-350.167 |
-342.195 |
-240.007 |
Ruimte (+)/Overschrijding (-) (1-4) |
374.335 |
395.501 |
387.529 |
285.342 |
* Begrotingsgrondslag 2025 = € 647.635 |
||||
Verantwoording wettelijke normen: Renterisiconorm
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen: RenterisiconormIn de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de uitvoeringsregeling van de Wet fido zijn normen gesteld ten aanzien van de kasgeldlimiet, de renterisiconorm en het drempelbedrag schatkistbankieren. In dit hoofdstuk wordt de compliance met de vigerende wettelijke kaders in het boekjaar 2025 verantwoord. Samenvattend hebben zich geen overschrijdingen van de genoemde limieten en normen voorgedaan.
Met de renterisiconorm wordt door de wetgever beoogd dat decentrale overheden niet een te omvangrijk deel van de schuldpositie in één specifiek boekjaar moeten herfinancieren. De renterisiconorm is 20% van de totale begrotingsomvang, wat in 2025 neerkomt op € 129,53 mln. Voor Provincie Limburg heeft de renterisiconorm in 2025 geen gevolgen, omdat de Provincie geen opgenomen financiering heeft waarvoor herfinanciering nodig is. Het beperkte volume aan opgenomen projectfinancieringen behoeft op lening einddata namelijk geen herfinanciering. Uit tabel 4.7 kan worden opgemaakt dat Provincie Limburg in de komende jaren geen risico’s ten aanzien van de renterisiconorm voorziet. Ten overvloede: de ruimte onder de renterisiconorm, zoals is gepresenteerd in de onderste regel van tabel 4.7, is niet cumulatief. In iedere afzonderlijke jaarschijf is nog een ruimte van ruim € 137 mln. beschikbaar voor herfinanciering.
Tabel 4.7 Toets renterisiconorm (bedragen x € 1.000) |
|||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Stap |
Renterisiconorm |
R2025 |
B2026 |
B2027 |
B2028 |
B2029 |
|
(1) |
Renteherzieningen |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
(2) |
Aflossingen |
4.640 |
4.640 |
4.640 |
4.460 |
1.920 |
|
(3) |
Renterisico (1+2) |
4.640 |
4.640 |
4.640 |
4.460 |
1.920 |
|
(4) |
Renterisiconorm = 20% van begroting (2025 = 647.635) |
142.390 |
142.390 |
142.390 |
142.390 |
142.390 |
|
(5a) = (4>3) |
Ruimte (+) onder renterisiconorm |
137.750 |
137.750 |
137.750 |
137.930 |
140.470 |
|
Verantwoording wettelijke normen: Drempelbedrag schatkistbankieren
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen: Drempelbedrag schatkistbankierenIn de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de uitvoeringsregeling van de Wet fido zijn normen gesteld ten aanzien van de kasgeldlimiet, de renterisiconorm en het drempelbedrag schatkistbankieren. In dit hoofdstuk wordt de compliance met de vigerende wettelijke kaders in het boekjaar 2025 verantwoord. Samenvattend hebben zich geen overschrijdingen van de genoemde limieten en normen voorgedaan.
Met de regeling schatkistbankieren wordt beoogd dat vrij besteedbare tijdelijk overtollige middelen worden aangehouden binnen de faciliteit Schatkistbankieren van het Ministerie van Financiën. Echter, omdat vanuit de internetfaciliteit schatkistbankieren geen betalingsverkeer mogelijk is, is het toegestaan om een deel van de liquide middelen buiten de schatkist aan te houden om het reguliere betalingsverkeer via de huisbank praktisch uitvoerbaar te houden. Het drempelbedrag is het gemiddelde totaalsaldo per dag dat buiten de schatkist mag worden aangehouden. Het drempelbedrag voor Provincie Limburg in 2025 bedraagt ruim € 10,30 mln. (€ 500 mln. x 2% + € 147,635 mln. x 0,2%). Dit houdt in dat gemiddeld genomen iedere dag tot € 10,30 mln. buiten de schatkist kan worden aangehouden.
Het gemiddeld bedrag dat Provincie Limburg in 2025 buiten de Schatkist heeft aangehouden is vastgesteld op nihil. De Provincie maakt gebruik van de automatische afroom- en aanzuiverfaciliteit van haar huisbank Rabobank. De afroom- en aanzuiverfaciliteit wordt elke werkdag rond 18:00 uur automatisch door Rabobank uitgevoerd. Dit houdt in dat positieve banksaldi bij de Rabobank op dageinde naar de schatkist worden afgeroomd en dat negatieve banksaldi bij de Rabobank op dageinde vanaf de schatkist worden aangezuiverd, zodat op dageinde de banksaldi van Provincie bij Rabobank nihil bedragen. Dit dient daarmee tevens als systeemcontrole dat het drempelbedrag in geen enkel kwartaal zou kunnen worden overschreden.
Europese Monetaire Unie (EMU)-saldo
Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Europese Monetaire Unie (EMU)-saldoHet EMU-saldo (de afkorting voor Europese Monetaire Unie en ook wel overheidssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid en alle decentrale overheden in enig jaar tezamen. Met alle EMU-landen is afgesproken dat het EMU-saldo in enig jaar niet lager mag zijn dan minus 3%. Dit wordt ook wel het begrotingstekort of / -overschot van een land genoemd. De inkomsten en uitgaven van alle Nederlandse overheden beïnvloeden het EMU-saldo van Nederland. Het Rijk rapporteert hierover aan de Europese Commissie.
De decentrale overheden hebben met het Rijk afgesproken dat provincies en gemeenten als groep en individueel naar rato bijdragen aan het op peil houden van het Nederlands EMU-saldo. Dit is vastgelegd in de wet Houdbare Overheidsfinanciën (wet HOF).
Decentrale overheden (be)sturen en verantwoorden conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) echter op basis van baten en lasten, waarbij reserves worden opgebouwd en (grote) investeringen over meerdere jaarschijven worden verantwoord. Dat is anders dan de feitelijke inkomsten- en uitgavenstromen per kalenderjaar, welke voor de berekening van het EMU-saldo nodig is. Op jaareinde vindt ten behoeve van het bepalen van de EMU-waarde van Limburg een conversie plaats van de baten/lasten-systematiek naar de kasstelselsystematiek.
De gezamenlijke groep provincies en iedere individuele provincie ontvangen via de Septembercirculaire de EMU-referentiewaarde. Een individuele EMU-referentiewaarde is geen norm, maar een indicatie van het aandeel dat een provincie of gemeente heeft in de gezamenlijke tekortnorm. De referentiewaarde voor Provincie Limburg bedraagt in 2025 min € 93,0 mln. De feitelijke EMU-waarde van Provincie Limburg komt in 2025 uit op min € 9 mln., berekend uit de Financiële transacties (categorie 6.1).
De conclusie is dat Limburg in verslagjaar 2025 met het EMU-saldo ruimschoots binnen de gegeven referentiewaarde blijft. Provincie Limburg heeft daarmee in 2025 een positieve bijdrage geleverd aan het nationaal EMU-saldo.