Inleiding

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Inleiding

De paragraaf Financiering biedt nader inzicht in: 1) de portefeuille met liquide middelen en beleggingen van (tijdelijk) overtollige liquide middelen; 2) de portefeuille met uitstaande geldleningen en verstrekte borgstellingen aan verbonden partijen en derden marktpartijen uit hoofde van het publiek belang* en 3) de portefeuille met opgenomen geldleningen ten behoeve van zowel specifieke projectfinanciering als ook de eigen algemene balansfinanciering voor Provincie Limburg.

*Geïnvesteerd agiokapitaal in deelnemingen maakt geen deel uit van deze paragraaf en is opgenomen in de paragraaf Verbonden partijen.

De primaire taak van de financieringsfunctie is dat te allen tijde voldoende werkkapitaal beschikbaar is om tijdig aan alle financiële verplichtingen te kunnen voldoen, opdat de financiële continuïteit van Provincie Limburg gewaarborgd blijft en dat de in de meerjarenbegroting opgenomen beleidsdoelstellingen zonder belemmering van financiering uitgevoerd kunnen worden.

Een secundaire maar even zo belangrijke taak van de financieringsfunctie is dat de Provincie haar (tijdelijk) overtollige middelen in een verantwoorde balans inzet ten behoeve van zowel directe stimulering van het publieke belang in Limburg als ook het realiseren van beleggingsrendementen. Deze beleggingsrendementen komen op indirecte wijze, als rentebaten in de meerjarenbegroting, eveneens toe aan de Limburgse maatschappij.

 De paragraaf Financiering is als volgt opgebouwd:

  1. Financiering integraal;
  2. Algemene ontwikkelingen;
  3. Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige liquide middelen (Treasury);
  4. Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publiek belang (Sturing in Samenwerking);
  5. Portefeuille Opgenomen geldleningen;
  6. Verantwoording wettelijke normen - Kasgeldlimiet;
  7. Verantwoording wettelijke normen - Renterisiconorm;
  8. Verantwoording wettelijke normen - Drempelbedrag schatkistbankieren;
  9. Verantwoording wettelijke normen - Europese Monetaire Unie (EMU)-saldo

Financiering integraal

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Financiering integraal

Uit de financiële balans per 31 december 2025 (Pepperflow, Jaarstukken 2025), valt af te lezen dat Provincie Limburg een balanstotaal heeft van € 2.276 mln. De volgende onderdelen van deze balans komen direct voort uit de activiteiten behorend bij de financieringsfunctie:

  • De activazijde van de balans toont de bezittingen van de Provincie. De Provincie bezit voor in totaal € 1.100 mln. aan obligaties, deposito’s en uitstaande langlopende geldleningen en voor nog eens € 261 mln. aan kortlopende uitzettingen en liquide middelen;
  • De passivazijde laat zien hoe de activa zijn gefinancierd. Hieruit valt af te lezen dat het overgrote deel van de provinciale activa met eigen vermogen is gefinancierd (€ 1.664 mln.) en in relatief beperkte mate met vreemd vermogen. De vaste schuldpositie bestaat ultimo 2025 uit € 33,7 mln. aan opgenomen langlopende geldleningen.

 De activa, zoals hierboven bij het eerste gedachtestreepje beschreven, zijn onderverdeeld in de volgende twee financieringsportefeuilles:

  1. Portefeuille Uitzettingen (tijdelijk) overtollige liquide middelen;
  2. Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang.

  De opgenomen geldleningen, zoals hierboven  bij het tweede gedachtestreepje beschreven, zijn ondergebracht in de volgende financieringsportefeuille: 

     3. Portefeuille Opgenomen geldleningen.

In tabel 4.1 wordt het integrale portefeuille-overzicht van de drie voornoemde financieringsportefeuilles weergegeven. In de tabel wordt de verwachte nominale hoofdsom per aanvang boekjaar 2026-2030 weergegeven, rekening houdend met de reguliere contractuele aflossingen. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met toekomstige nieuwe uitzettingen of opnames in dezelfde portefeuille, omdat dit afhankelijk van bestuurlijke besluitvorming nog ongewis is. Vrijvallende middelen komen in beginsel toe aan het schatkistbankieren rekening-courant en de aflossingen op opgenomen geldleningen worden betaald uit ditzelfde rekening-courant. Het schatkistbankieren rekening-courant is een portefeuille onderdeel van de portefeuille Uitzettingen (tijdelijk) overtollige liquide middelen.

De verwachte totale nominale waarde van de drie financieringsportefeuilles samen per aanvang 2026 bedraagt naar verwachting € 1.271,7 mln. en per aanvang 2027 € 1.156,3 mln. Dit houdt in dat de drie gedefinieerde financieringsportefeuilles in 2027 naar verwachting met circa € 115,4 mln. dalen. Deze middelen zullen enerzijds op basis van de investeringsplanning verschuiven naar de materiële vaste activa of onderhanden werk (bijvoorbeeld als gevolg van grondaankopen of investeringen in infrastructuur) en zullen anderzijds conform de programmabegroting worden ingezet als financiering van de inzet van de programmareserves.

De totaal begrote renteopbrengst per portefeuille per boekjaar wordt eveneens in tabel 4.1 gepresenteerd. In de verwachte renteopbrengst zijn naast de geschatte variabele rentebaten in rekening-courant bij Schatkistbankieren bij het Rijk verder uitsluitend de renteopbrengsten opgenomen gebaseerd op getekende leningovereenkomsten. Afhankelijk van eventuele toekomstige uitzettingen kunnen de te realiseren rentebaten in de meerjarenraming tot een toename van rentebaten leiden. Dit maakt dat in tabel 4.1 in beginsel van boekjaar tot boekjaar een daling in de rentebaten zichtbaar is, dat met rentebaten uit eventuele toekomstige uitzettingen kan worden aangevuld. De totaal verwachte renteopbrengsten in boekjaar 2027, zoals verwerkt in de programmabegroting, bedraagt € 28,2 mln.

 Financiële karakteristieken per portefeuille

Elke financieringsportefeuille (en ook elk portefeuille onderdeel) heeft zijn eigen kenmerken die hieronder beknopt worden benoemd:

  1. Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige liquide middelen: Deze portefeuille heeft een relatief hoge liquiditeitswaarde, omdat een aanzienlijk deel van de portefeuille in direct beschikbaar rekening-courant en/of bijna direct opeisbare Rijksdeposito’s is ondergebracht. Ook is het kredietrisico binnen deze portefeuille relatief laag, omdat de tegenpartij altijd een overige Nederlandse overheidsorganisatie is. Daar staat tegenover dat de rentevergoedingen vaak lager zijn, omdat een groot deel van de portefeuille kortlopend uitstaat en er marginale risico-opslagen worden toegevoegd;
  2. Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang: Het primaire doel van deze portefeuille is het tegemoet komen aan partijen die met haar activiteiten het publiek belang in Limburg dienen. De portefeuille heeft een lage liquiditeitswaarde, omdat geldleningen aan verbonden partijen en derden marktpartijen een relatief lange looptijd kennen en slechts in (zeer) beperkte mate vervroegd afgelost (kunnen) worden. Gegeven het maatwerk in de leningsovereenkomsten is er tevens een zeer beperkte secundaire markt om deze geldleningen voortijdig met cessie aan derden over te kunnen dragen. Ook is het kredietrisico op deze portefeuille aanzienlijk hoger en is het aanvraag- en besluitvormingsproces en het leningbeheer intensiever dan in de andere portefeuilles. Daar staat tegenover dat de rentepercentages binnen deze portefeuille vaak meerdere procentpunten hoger liggen als resultante van de toegevoegde marktconforme risico-opslagen;
  3. Portefeuille Opgenomen geldleningen – De Provincie heeft goede toegang tot de (sector)banken en overige financiële instellingen voor het kortlopend (< 1 jaar) en langlopend (> 1 jaar) inlenen van gelden, wat de toegankelijkheid tot het kunnen inlenen van aanvullende liquiditeiten waarborgt. Over het algemeen geldt hoe korter de inleenperiode hoe gunstiger de rentetarieven, met dien verstande dat de rentelasten ook sneller kunnen stijgen bij marktverschuivingen (renterisico).Vooralsnog heeft de Provincie geen aanvullende liquiditeitsbehoefte voor de eigen bedrijfsvoering. De Provincie heeft wel enkele langlopend opgenomen (of overgenomen) geldleningen in de boeken ten behoeve van specifieke projecten.
Tabel 4.1 Portefeuille overzicht uitstaande en opgenomen gelden per aanvang boekjaar (nominaal x € 1.000)
Portefeuille overzicht
2027
2028
2029
2030
2031
1. Portefeuille Uitzettingen (tijdelijk) overtollige liquide middelen
581.456
546.524
506.592
450.660
435.728
2. Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang
589.855
421.296
392.740
372.022
273.292
Totaal uitstaande financiële middelen
1.171.311
967.820
899.332
822.682
709.020
3. Portefeuille Opgenomen geldleningen
-15.010
-10.373
-5.917
-4.000
-3.333
Saldo uitstaande en opgenomen geldleningen
1.156.301
957.447
893.415
818.682
705.687
Integrale prognose renteopbrengsten per boekjaar (bedragen x € 1.000)
Renteopbrengsten per portefeuille
2027
2028
2029
2030
2031
1. Portefeuille Uitzettingen (tijdelijk) overtollige liquide middelen
14.130
13.430
12.237
10.851
10.439
2. Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang
12.292
6.667
5.826
5.042
2.952
Boekhoudkundige vrijval van reserves uit voormalige verkoop van obligaties
1.749
413
132
0
0
Totaal aan renteopbrengsten per boekjaar
28.171
20.510
18.195
15.893
13.391
3. Portefeuille Opgenomen geldleningen
-11
0
0
0
0
Saldo renteopbrengsten per boekjaar
28.160
20.510
18.195
15.893
13.391

Algemene ontwikkelingen

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Algemene ontwikkelingen

Op het gebied van wet- en regelgeving ten aanzien van overheidsfinanciering hebben al meerdere jaren geen grote ontwikkelingen plaatsgevonden. De vigerende Financiële verordening Provincie Limburg en het Treasurystatuut voldoen aan de wettelijke kaders, zijnde het Besluit Begroting & Verantwoording (BBV), de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido), de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden (SKB) en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo). Ook voor de periode 2027 en verder zijn door de Rijksoverheid geen wetswijzigingen aangekondigd die van materiële invloed zijn op de financieringsfunctie van de Provincie.

Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige middelen

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Portefeuille Uitzettingen van (tijdelijk) overtollige middelen

Het College van Gedeputeerde Staten ziet er op toe dat de benodigde en de (tijdelijk) overtollige liquide middelen prudent worden beheerd. In de vigerende Financiële verordening en het vigerende Treasurystatuut zijn de doelstellingen en de nadere uitvoeringsregels ten aanzien van het financieringsbeleid vastgelegd, alsmede de taken, rollen en bevoegdheden. De Provincie voert deze financieringsactiviteiten in eigen beheer uit.

Samenstelling van de portefeuille

De portefeuille omvang inclusief verwachte renteopbrengsten in de periode 2027-2031 is opgenomen in tabel 4.2. Hieronder wordt per portefeuille-onderdeel een nadere toelichting gegeven.

Portefeuille-onderdeel 1a: In het portefeuille-onderdeel ‘Geldleningen aan decentrale overheden’ zijn alle uitzettingen aan Nederlandse decentrale overheden met een looptijd langer dan 1 jaar opgenomen. Aanvang 2027 heeft dit portefeuille-onderdeel een totaalomvang van € 381,5 mln. In de periode vanaf 2027 tot 2031 zal een aantal leningen met een totaalvolume van € 145,7 mln. vrijvallen. Afhankelijk van nieuwe feiten en omstandigheden is vooralsnog de verwachting dat met het doen van periodieke nieuwe uitzettingen de omvang van dit portefeuille onderdeel in de periode 2027-2031 (nagenoeg) op peil zal blijven.

Portefeuille-onderdeel 1b: De regeling Schatkistbankieren voorziet in de mogelijkheid om Rijksdeposito’s in meerdere looptijden en met een vast rentetarief af te sluiten bij het Agentschap van de Generale Thesaurie (DSTA) van het Ministerie van Financiën. De rentetarieven zijn gelijk aan de kapitaalmarktrente waartegen de Staat der Nederlanden zich kan financieren op de internationale financiële markten. Doordat het rendement op deze deposito’s circa 20 tot 30 basispunten lager ligt dan uitzettingen aan decentrale overheden, maar daarentegen wel direct (binnen ca. twee werkdagen) opeisbaar zijn in geval van aanvullende liquiditeitsbehoefte, zijn Rijksdeposito’s zeer geschikt voor een beperkt gebruik in de portefeuillemix. Het doel van plaatsing in Rijksdeposito’s is het (onder normale marktomstandigheden) verkrijgen van een hoger rendement dan op het uitstaande saldo in rekening-courant.

Portefeuille-onderdeel 1c: Het rekening-courant saldo bij de Schatkist is in de eerste plaats benodigd voor de dagelijkse inkomsten en uitgaven van de Provinciale bedrijfsvoering. Het is noodzakelijk om op dagelijkse basis voldoende saldo beschikbaar te hebben om tijdig aan alle betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. In geval van (tijdelijke) tekorten zullen er middelen ingeleend kunnen worden (zie portefeuille Opgenomen leningen) en bij (tijdelijk) overtollige liquide middelen zou het overtollige deel voor een bepaalde duur kunnen worden uitgezet ten behoeve van het publiek belang en/of ten behoeve van een hoger renterendement. Om tijdig voldoende inzicht te hebben in de liquiditeitsbehoefte wordt een meerjarenprognose liquiditeit opgesteld waarin meerjarig alle begrote exploitatie-inkomsten en -uitgaven, investeringen en financieringsmutaties zijn opgenomen. In tabel 4.2 is het verwachte rekening-courant saldo per aanvang boekjaar opgenomen, uitgaande van géén nieuwe uitzettingen en opnames in de financieringsportefeuilles. Gelet op de toename van het rekening-courant saldo is het, afhankelijk van nieuwe feiten en omstandigheden, de verwachting dat er ruimte is voor nieuwe uitzettingen. Binnen de reguliere P&C cyclus zullen de verwachte rentebaten indien nodig periodiek worden bijgesteld.

Tabel 4.2 Portefeuille Uitzettingen (tijdelijk) overtollige liquide middelen per aanvang boekjaar (nominaal x € 1.000)
Portefeuille onderdelen
2027
2028
2029
2030
2031
1a. Geldleningen aan decentrale overheden
381.456
346.524
306.592
250.660
235.728
1b. Schatkistbankieren deposito's
100.000
100.000
100.000
100.000
100.000
1c. Schatkistbankieren rekening-courant*
100.000
100.000
100.000
100.000
100.000
1. Totaalomvang portefeuille
581.456
546.524
506.592
450.660
435.728
Verwachte renteopbrengsten per portefeuille onderdeel
2027
2028
2029
2030
2031
1a. Geldleningen aan decentrale overheden
12.630
11.930
10.737
9.351
8.939
1b. Schatkistbankieren deposito's
2.918
2.918
2.918
2.918
2.918
1c. Schatkistbankieren rekening-courant
1.500
1.500
1.500
1.500
1.500
1. Totaal renteopbrengsten portefeuille
17.048
16.348
15.155
13.769
13.357
*Het rekening-courant saldo per aanvang boekjaar is berekend op basis van de meerjarenprognose liquiditeit. Het deel van dit saldo dat (tijdelijk) overtollig is, kan in aanmerking komen voor nieuwe uitzettingen.

Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Portefeuille Uitzettingen uit hoofde van het publieke belang

De portefeuille uitzettingen uit hoofde van het publieke belang bevat (uitsluitend*) alle geldleningen aan en borgstellingen ten behoeve van verbonden partijen en derden marktpartijen uit hoofde van het publiek belang. Conform de Financiële verordening 2026 artikel 33 en artikel 34 lid 3 zijn in het vigerende beleidskader Sturing in Samenwerking (beleidskader SiS) de voorwaarden en condities vastgelegd waartegen de Provincie een geldlening uit hoofde van het publiek belang zou kunnen verstrekken. Tevens is in het beleidskader SiS vastgelegd hoe uitvoering wordt gegeven aan het leningbeheer en risicomanagement van de individuele leningen en de portefeuille als geheel.

* De portefeuille met het gestort kapitaal (eigen vermogen) in provinciale deelnemingen is opgenomen in de Paragraaf Verbonden Partijen.

Een overzicht van de omvang en de verwachte renteopbrengsten van de uitgezette geldleningen aan verbonden partijen en derden partijen en het totaal aan verstrekte borgstellingen is opgenomen in tabel 4.3.

In het portefeuille onderdeel Geldleningen aan verbonden partijen wordt er in beginsel rekening mee gehouden dat de drie uitstaande hybride geldleningen van elk € 50 mln. aan de sectorbanken BNG Bank en NWB Bank per eerste call-datum door de bank worden afgelost. Mochten de sectorbanken besluiten (eenzijdig recht) om niet tot aflossing over te gaan, dan wordt de verwachte aflossing in de planning één jaar opgeschoven.

Tabel 4.3 Portefeuille Uitzettingen publiek belang per aanvang boekjaar (nominaal x € 1.000)
Portefeuille onderdelen
2027
2028
2029
2030
2031
2a. Geldleningen aan verbonden partijen
329.769
174.922
164.045
159.136
70.758
2b. Geldleningen aan derde partijen
260.097
246.385
228.707
212.898
202.546
Subtotaal uitstaande middelen
418.383
400.840
373.311
352.494
273.304
2c. Borgstellingen aan bank
0
0
0
0
0
2. Totaalomvang portefeuille
418.383
400.840
373.311
352.494
273.304
Verwachte renteopbrengsten per portefeuille onderdeel
2027
2028
2029
2030
2031
2a. Geldleningen aan verbonden partijen
9.889
4.651
4.391
4.049
2.518
2b. Geldleningen aan derde partijen
2.403
2.016
1.435
993
433
2c. Borgstellingen aan bank (vergoeding van begunstigden)
0
0
0
0
0
2. Totaal renteopbrengsten portefeuille
7.076
6.490
5.698
4.928
2.951

Portefeuille Opgenomen geldleningen

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Portefeuille Opgenomen geldleningen

Gelet op de solide liquiditeitspositie zoals gepresenteerd in tabel 4.2 is de verwachting dat er in de komende jaren geen structurele opname van geldleningen voor de eigen liquiditeitsbehoefte van de Provincie benodigd is (balansfinanciering). Vooralsnog zijn er ook geen activiteiten en/of projecten in voorbereiding waarvoor een nieuwe specifieke projectfinanciering benodigd is. Wel heeft de Provincie twee opgenomen projectfinancieringen in de boeken staan die hieronder nader worden toegelicht:

  1. In 2004 heeft de Provincie een geldlening van de (voormalige) Stichting Symbiose overgenomen met betrekking tot het pand Mercator. Verkoop van dit pand heeft in 2005 plaatsgevonden. De rente bedraagt 6,19% per jaar. Op deze lening wordt jaarlijks € 180.600 afgelost tot en met de einddatum in 2027. Daarmee is de einddatum reeds in zicht;
  2. In het kader van de beëindiging van de activiteiten van LIOF Bedrijventerreinen per 1 juni 2016 heeft de Provincie eind 2016 een geldlening van LIOF overgenomen ad € 15,882 mln. na instemming door Provinciale Staten d.d. 30 september 2016 met de overname van de grondexploitatie industriepark Swentibold. In het ondertekende addendum behorende bij de Samenwerkingsovereenkomst d.d. 12 oktober 2000, in navolging van het collegebesluit d.d. 29 november 2016, is vastgelegd dat het Ministerie van Economische Zaken de Provincie voor het gedeelte van de lening dat overeenkomt met het negatieve exploitatieresultaat bij afsluiting van het project kwijtschelding verleent tot een maximum van het leenbedrag. Over de lening is de Provincie geen rente verschuldigd aan EZ.
  3. In 2018 was de Provincie met de Europese Investeringsbank (EIB) een uitbreidingsfinanciering voor de regeling Duurzaam Thuis overeengekomen. Binnen deze regeling, welke in opdracht van de Provincie door Svn wordt uitgevoerd, konden particuliere huiseigenaren tegen gunstige voorwaarden een geldlening ontvangen voor de verduurzaming van de eigen woning. In de periode januari 2019 tot en met december 2021 heeft de Provincie in totaal € 50 mln. (5 tranches van € 10 mln.) bij de EIB opgenomen en doorgestort aan Svn. Door de betrokkenheid van de EIB was de Provincie in staat om tevens van de EIB een EU-subsidie ELENA (European Local ENergy Assistance) te ontvangen ter dekking van de project- en proceskosten. Vanaf oktober 2023 kunnen woningeigenaren geen nieuwe aanvragen meer doen en wordt de regeling uitgefaseerd. Ook kan de Provincie geen nieuwe lening tranches meer opnemen bij de EIB. De eerste (in kwartaal 1 2019) opgenomen lening tranche is reeds volledig afgelost en de overige vier tranches worden in verschillende looptijden in de komende jaren lineair aan de EIB afgelost. Het rentepercentage op alle vier de nog actieve tranches bedraagt tot aan einde looptijd 0,00% en zijn daarmee kostenloos.

In tabel 4.4. wordt een overzicht van de restant schuld per aanvang boekjaar van de opgenomen geldleningen weergegeven, evenals de rentelasten per jaar. De rentelasten op opgenomen leningen zijn in 2027 minimaal en dalen in 2028 verder tot nul euro. 

Tabel 4.4 Portefeuille Opgenomen geldleningen per aanvang boekjaar (nominaal x € 1.000)
Portefeuille onderdelen
2027
2028
2029
2030
2031
3a. Langlopende geldleningen projectfinanciering o/g
-15.010
-10.371
-5.915
-4.000
-3.333
Lening BNG Bank tbv voormalige Stichting Symbiose (6,19%)
-182
0
Lening Ministerie van EZK inzake Industriepark Swentibold
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 1 Q1 2019 (0,08%)
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 2 Q4 2019 (0,00%)
-2.223
-1.112
0
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 3 Q3 2020 (0,00%)
-5.999
-5.332
-4.665
-4.000
-3.333
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 4 Q4 2021 (0,00%)
-3.750
-2.500
-1.250
0
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 5 Q4 2021 (0,00%)
-2.856
-1.427
0
3b. Langlopende geldleningen balansfinanciering o/g
0
0
0
0
0
3c. Kasgeldleningen o/g
0
0
0
0
0
3. Totaalomvang portefeuille
-15.010
-10.371
-5.915
-4.000
-3.333
Verwachte rentekosten per portefeuille onderdeel
2027
2028
2029
2030
2031
3a. Langlopende geldleningen projectfinanciering o/g
-11
0
0
0
0
Lening BNG Bank tbv voormalige Stichting Symbiose (6,19%)
-11
0
Lening Ministerie van EZK inzake Industriepark Swentibold
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 1 Q1 2019 (0,08%)
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 2 Q4 2019 (0,00%)
0
0
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 3 Q3 2020 (0,00%)
0
0
0
0
0
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 4 Q4 2021 (0,00%)
0
0
0
Lening EIB tbv regeling Duurzaam Thuis tranche 5 Q4 2021 (0,00%)
0
0
3b. Langlopende geldleningen balansfinanciering o/g
0
0
0
0
0
3c. Kasgeldleningen o/g
0
0
0
0
0
3. Totaal rentekosten portefeuille
-11
0
0
0
0

Verantwoording wettelijke normen - Kasgeldlimiet

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen - Kasgeldlimiet

Een belangrijke doelstelling van de Wet fido is het vermijden van grote schommelingen in de rentelasten van openbare lichamen. Kortlopende financieringen (met looptijden tot één jaar) zijn vatbaarder voor renteschommelingen dan langlopende financieringen (met looptijden vanaf één jaar).  Om een grens te stellen aan het volume aan opgenomen kortlopende financiering is in de Wet fido de kasgeldlimiet vastgelegd. De kasgeldlimiet is een door de minister bepaald percentage van het begrotingstotaal bij aanvang van het boekjaar. Bij ministeriële regeling is dit percentage voor Provincies vastgesteld op 7%, ongewijzigd ten opzichte van voorgaande boekjaren.

In tabel 4.5 is de begrote gemiddelde beschikbare ruimte per kwartaal onder de kasgeldlimiet voor 2027 weergegeven. De kasgeldlimiet voor Provincie Limburg bedraagt circa € 64,4 mln. Dit houdt in dat de Provincie gemiddeld per kwartaal tot maximaal dit volume aan kortlopende geldleningen mag opnemen. Omdat de Provincie structureel over eigen liquide middelen beschikt en geen kortlopende leningen heeft opgenomen, kan worden gesteld dat de geschatte ruimte onder de kasgeldlimiet circa € 156 mln. bedraagt. Dit maakt dat de Provincie ook in 2027 onder vrijwel alle omstandigheden onder deze limiet zal blijven.

Tabel 4.5 Kasgeldlimiet (bedragen x € 1.000)
Berekening kasgeldlimiet 2026
Q1 2027
Q2 2027
Q3 2027
Q4 2027
Grondslag voor norm: omvang oorspronkelijke begroting 2027
920.087
920.087
920.087
920.087
Kasgeldlimiet: 7,0% van grondslag (1)
64.406
64.406
64.406
64.406
Omvang vlottende schuld (2)
8.550
8.550
8.550
8.550
Omvang vlottende middelen (3)
100.000
100.000
100.000
100.000
Netto schuld (+) of overschot (-) (2-3 = 4)
-91.450
-91.450
-91.450
-91.450
in % van de oorspronkelijke begroting
-9,9%
-9,9%
-9,9%
-9,9%
Ruimte (+) / Overschrijding (-) (1-4)
155.856
155.856
155.856
155.856

Verantwoording wettelijke normen - Renterisiconorm

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen - Renterisiconorm

In de Wet fido is tevens een renterisiconorm opgenomen. Deze norm heeft als doel het toekomstig renterisico te beperken door de aflossingen en renteherzieningen te spreiden. Het renterisico op de vaste schuld mag de renterisiconorm niet overschrijden. De renterisiconorm is bij  ministeriële regeling vastgesteld op 20% van de provinciale begroting bij aanvang boekjaar. In tabel 4.6 is af te lezen dat de renterisiconorm voor de Provincie in 2027 € 184,0 mln. bedraagt, wat inhoudt dat de vaste schuldpositie tot maximaal deze omvang in boekjaar 2027 zou mogen worden afgelost. In 2027 wordt  voor 'slechts' € 4,7 mln. op de vaste schuldpositie afgelost, waarmee de Provincie ruim onder de renterisiconorm blijft.  De restant opgenomen schuldpositie ná 2027 bedraagt in totaal dan nog slechts € 10,4 mln., waardoor ook in volgende jaren de renterisiconorm nooit kan worden overschreden.

Tabel 4.6 Renterisiconorm per boekjaar (bedragen x € 1.000)
Berekening renterisiconorm
2027
2028
2029
2030
2031
Grondslag voor norm: omvang oorspronkelijke begroting 2026
920.087
920.087
920.087
920.087
920.087
Renterisiconorm: 20,0% van grondslag (1)
184.017
184.017
184.017
184.017
184.017
Renteherzieningen (2)
0
0
0
0
0
Aflossingen (3)
4.639
4.456
1.915
667
667
Renterisico volume (2+3 = 4)
4.639
4.456
1.915
667
667
in % van de oorspronkelijke begroting
0,5%
0,5%
0,2%
0,1%
0,1%
Ruimte (+) onder renterisiconorm (1-4)
179.378
179.561
182.102
183.350
183.350

Verantwoording wettelijke normen - Drempelbedrag schatkistbankieren

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen - Drempelbedrag schatkistbankieren

Met het regeling schatkistbankieren wordt beoogd dat vrij besteedbare tijdelijk overtollige middelen worden aangehouden binnen de faciliteit Schatkistbankieren van het Ministerie van Financiën. Echter, omdat vanuit de internetfaciliteit schatkistbankieren geen betalingsverkeer mogelijk is, is het toegestaan om een deel van de liquide middelen buiten de schatkist aan te houden om het reguliere betalingsverkeer via de huisbank praktisch uitvoerbaar te houden. Het drempelbedrag is het gemiddelde totaalsaldo per dag dat buiten de schatkist mag worden aangehouden. Het drempelbedrag voor Provincie Limburg in 2027 bedraagt ruim € 10,2 mln. (€ 500 mln. x 2% + € 420,087 mln. x 0,2%). Dit houdt in dat gemiddeld genomen iedere dag tot € 10,84 mln. buiten de rekening-courant bij Schatkistbankieren bij het Rijk kan worden aangehouden. De Provincie beoogt het werkelijk bedrag buiten de schatkist tot een minimum te beperken. Daar zijn de (digitale) bankprocessen ook als zodanig op ingericht. Het risico op overschrijding van voornoemd drempelbedrag is daarmee afgedekt. 

Verantwoording wettelijke normen - EMU-saldo

Terug naar navigatie - 4. § Financiering - Verantwoording wettelijke normen - EMU-saldo

Het EMU-saldo (de afkorting voor Europese Monetaire Unie en ook wel overheidssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid en de decentrale overheden in enig jaar. Met alle EMU-landen is afgesproken dat het EMU-saldo in enig jaar niet lager mag zijn dan minus 3%. Ook wel het begrotingstekort of / -overschot genoemd. De inkomsten en uitgaven van alle Nederlandse overheden beïnvloeden het EMU-saldo van Nederland. Het Rijk rapporteert hierover aan de Europese Commissie.

De decentrale overheden hebben met het Rijk afgesproken dat provincies en gemeenten als groep en individueel naar rato bijdragen aan het op peil houden van het Nederlands EMU-saldo. Dit is vastgelegd in de wet Houdbare Overheidsfinanciën (wet HOF).

Decentrale overheden (be)sturen en verantwoorden conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) echter op basis van baten en lasten, waarbij reserves worden opgebouwd en (grote) investeringen over meerdere jaarschijven worden verantwoord. Dat is anders dan de feitelijke inkomsten- en uitgavenstromen per kalenderjaar, welke voor de berekening van het EMU-saldo nodig zijn. Op jaareinde vindt ten behoeve van het bepalen van de EMU-waarde van Limburg een conversie plaats van de baten/lasten-systematiek naar de kasstelselsystematiek.

De gezamenlijke groep provincies en iedere individuele provincie ontvangen via de Septembercirculaire de EMU-referentiewaarde. Een individuele EMU-referentiewaarde is geen norm, maar een indicatie van het aandeel dat een provincie of gemeente in de gezamenlijke tekortnorm heeft. De referentiewaarde voor Provincie Limburg bedraagt in 2026 minus € 90,5 mln.,  gepubliceerd in de Septembercirculaire 2025 van het provinciefonds.  Op het moment van schrijven zijn de referentiewaarden voor de begroting van 2027 nog niet bekend.

€ x 1.000
2027
2028
2029
2030
Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves
-92.743
22.660
31.293
29.006
Afschrijvingen ten laste van de exploitatie
29.197
33.102
36.135
35.437
Mutaties (im)materiële vaste activa
130.078
125.053
89.482
38.445
Mutaties voorzieningen
992
0
-1
-1
Mutaties voorraden
-4.000
11.000
3.000
0
Berekend EMU-saldo
-188.631
-80.291
-25.054
25.997